Thema: Dichters en Muziek

Orpheus, de dichter en zanger uit de Griekse mythologie, verenigde de poëet en de musicus in zich. De zanger, altijd afgebeeld met zijn lier, belichaamde de mooiste combinatie tussen woord en muziek: hij was én dichter én musicus.

Die prachtige twee-eenheid ging in de loop van de muziekgeschiedenis verloren. Vanaf de Barok kozen componisten vaak zelf hun eigen teksten en volgden ze in hun composities de gekozen woorden. Maar ook behielden ze zich het recht voor die teksten aan te passen als dat in hun composities beter uitkwam.
 

De negentiende eeuw was de glorietijd van het lied. Componisten als Schumann en Schubert waren grotere helden dan de dichters aan wie ze hun teksten ontleenden. Duizenden liederen uit de negentiende eeuw zijn overgeleverd; alleen Schubert schreef al 600 liederen, Schumann volgt met 300. Binnen het thema Dichters en muziek in de Leidse Salon kozen we een drietal programma's waarin in elk programma één dichter vanuit een ander perspectief werd verklankt.

 

Francis Poulenc (1899-1963) en Paul Éluard (1895-1952)

Heinrich Heine (1797-1856) en Nederlandse componisten

Alexandr Poesjkin (1799-1837) en Nikolaj Medtner (1880-1951)

 

De liederen van Poulenc op teksten van Paul Éluard zijn een voorbeeld van een bijzondere creatieve vriendschap tussen de componist en de dichter. Terugkijkend op zijn carrière rekende Poulenc de toonzetting van moderne Franse poëzie tot zijn belangrijkste werk. “Als op mijn grafsteen zou komen te staan: Hier rust Francis Poulenc, de componist van Apollinaire en Éluard, zou dat mijn mooiste eretitel zijn.” Poulenc componeerde intuïtief. “De muzikale bewerking van een gedicht moet een daad van liefde zijn en nooit een verstandshuwelijk.”

 

La grand riviere qui va

 

La grand riviere qui va

Grande au soleil et petite a la lune

Par tous chemins a l'aventure

Ne m'aura pas pour la montrer du doigt

 

Je sais le sort de la lumière

J'enai assez pour jouer son éclat

Pour me parfaire au dos de mes paupières

Pour que rien ne vive sans moi

 

De grote rivier die gaat

 

De grote rivier die gaat

Groot in de zon en klein in het maanlicht

Langs alle wegen naar het avontuur

Zal mij niet hebben om er met de vinger naar te wijzen

 

Ik ken het lot van het licht

Ik heb er genoeg van om te spelen met zijn schittering

Mij te vervolmaken achter mijn oogleden

Opdat niets leeft zonder mij

 

In het programma ‘Harry, Heine in Holland’ zingt Marc Pantus een aantal liederen van Nederlandse componisten op tekst van Heinrich Heine (1797-1856). Nederlandse componisten kozen in de 19de eeuw vaak liederen uit het Duitse taalgebied vanwege de grote invloed van Duitsland op het Nederlandse culturele leven. Vele musici genoten hun opleiding in Duitsland en lieten zich door de teksten van Heinrich Heine inspireren. De liederen die Pantus ten gehore brengt zijn bijna allemaal in de late 19de en begin van de 20ste eeuw geschreven. Overigens waren de Nederlandse componisten niet de enigen die zich aan Heines teksten waagden; 'Du bist wie eine Blume' werd meer dan 400 keer op muziek gezet. En van 'Ein alter König' is meer dan 100 keer getoonzet, en niet door de minsten, zoals Edvard Grieg. Omdat Heine het Nederlands kwalificeerde als 'kikkergekwaak van de Hollandse moerassen' mag bij zo'n concert een Nederlandse vertaling niet ontbreken.

 

Es war ein alter König

 

Es war ein alter König,

Sein Herz war schwer, sein Haupt war grau;

Der arme alte König,

Er nahm eine junge Frau

 

Es war ein schöner Page

Bland was sein Haupt, leicht war sein Sinn;

Er trug die seidne Schlepp

Der jungen Königin

 

Kennst du das alte Liedchen?

Es klingt so süss, es klingt so trüb!

Sie mussten beiden sterben,

Sie hatten sich viel zu lieb.

 

Er was een oude Koning

 

Er was een oude Koning

Zijn hart was zwaar, zijn haar was grauw

Die arme oude Koning

Nam zich een jonge vrouw

 

Er was een mooie page,

Zo blind van lokken en licht van zin;

Hij droeg de zijden sleep van

De jonge koningin

 

U kent het oude liedje,

Het klinkt zo zoet, het drukt zo zwaar;

Ze moesten beiden sterven,

Ze hielden te veel van elkaar

 

(vertaling Peter Verstegen)

 

Nikolai Medtner (1880 – 1951) was een Russische componist en pianist met een zeer unieke en eigen compositietaal. Zijn goede vriend Sergei Rachmaninoff noemde hem “de grootste levende componist van zijn tijd”. En niet voor niets. Behalve een geweldige pianist was Medtner een uitzonderlijke componist. Een groot deel van zijn oeuvre bestaat uit liederen. Medtner zette onder anderen vele gedichten van Aleksandr Poesjkin (1799-1837) op muziek. 'Ik had u lief', kan door bijna elke Rus geciteerd worden.

 

Ik had u lief.

 

Ik had u lief, misschien is ook de liefde

Nog niet geheel gedoofd in mijn gemoed;

Maar zij behoeft u nu niet meer te grieven;

Ik wil dat gij geen pijn door mij ontmoet.

Ik had u lief in stilte, niets verwachtend,

Nu eens geremd, dan weer jaloers gezind;

Ik had u lief zo teder, zo waarachtig-

Geef God dat zó een ander u bemint.

 

(vertaling Frans-Joseph van Agt)

 

Bekijk alle concerten binnen dit thema

Deze website maakt gebruik van cookies om u een optimale gebruikerservaring te bieden.

Meer info