Thema: Beeldende kunst in de muziek

In het thema Beeldende kunst in de muziek staan vier composities centraal in drie verschillende concerten:

De ‘Goyescas’ van Enrique Granados voor piano (1911)

Het Strijkkwartet no 2 van Arnold Schönberg (1911)

Het Strijkkwartet in c van Mikalojus Konstantinas Ciurlionis (1901)

De Schilderijententoonstelling van Modest Moessorgski voor piano (1874)

 

Bij de zoektocht naar analogieën, gelijkenissen en dezelfde werkwijzen in de verschillende kunstdisciplines wordt vaak de Romeinse dichter Horace geciteerd met zijn beroemd geworden “ut pictura poesis”: een gedicht is als een schilderij. En ook in de andere kunstdisciplines duikt telkens weer de wens op bij schilders, schrijvers en componisten om als het ware elkaars model te zijn. Daarnaast is er ook eeuwenoude wedijver, paragone, tussen de –beschrijving van de– kunsten.

 

Toch geloofden veel kunstenaars in het overschrijden van de grenzen van hun discipline. De Franse dichter en criticus Charles Baudelaire (1821-1867) schreef over Eugene Delacroix dat hij het onzichtbare weergaf in kleur en lijn als een groot schilder, met de autoriteit van een ontwikkelde schrijver en de eloquente van een gepassioneerd componist. En diezelfde Baudelaire is groot bewonderaar van het onder anderen door Wagner gemunte begrip Gesamtkunstwerk. Schilders, componisten, schrijvers en choreografen zoeken en vinden elkaars verwante zielen in de zusterkunsten in het heden en bestudering van het verleden. Granados werd hevig geraakt door het werk van Goya dat bijna een eeuw eerder gemaakt was. Schönberg bevond zich in het middelpunt van de grote veranderingen in de kunsten en Ciurlionis belichaamt als synesthesist de multidisciplinaire kunstenaar. Moessorgski componeerde met zijn Schilderijententoonstelling een voorbeeld van programmatisch werk, dat wil zeggen een werk waarin een buitenmuzikaal thema werd verbeeld.

 

Francisco Goya (1746-1828) geldt als een van de grootste Spaanse schilders. Hij wordt door de aard van zijn werk wel de verre voorloper van het modernisme genoemd. Goya was vanaf 1799 weliswaar de meest vooraanstaande hofschilder, de strubbelingen tussen de Fransen en de Spanjaarden maakten zijn positie delicaat.

Componist en pianovirtuoos Enrique Granados (1867-1916) hield van het werk van Francisco Goya (1746-1828). In zijn pianosuite Goyescas (1911) wordt gerefereerd aan het werk van Goya, maar slechts twee werken lijken letterlijk model te hebben gestaan voor delen uit de suite. 'El Amor y la muerte' heeft dezelfde titels als een van de etsen uit de serie capricho's, en 'El pelele' is te zien op een van de kartonnen voor-ontwerpen van wandtapijten.

 

Granados lijkt volgens deskundigen vooral betoverd door de sfeer die uit de schilderijen van Goya sprak. Goyescas bestaat uit vijf delen:

Los requiebros (De complimenten)

Coloquio en la reja (Conversatie aan het raam the Window)

El fandango de candil (Fandango bij kaarslicht)

Quejas, o La Maja y el ruiseñor (Klacht, of het meisje en de nachtegaal)

El Amor y la muerte (Balada) (Ballade van de liefde en de dood))

Epilogo: Serenata del espectro (Epiloog: Serenade aan een spook)

El pelele: Escena Goyesca (The Puppet: Goya Scene)

 

Granados bezingt op onnavolgbare wijze de liefde getuige de ondertitel 'Los majos enamorados' hier vertaald als 'de verrukte gelieven'. Met deze gelieven worden

vooral de maja's en majo's bedoeld, de jonge vrouwen en mannen uit de lagere klassen in het late 18de-eeuwse en vroeg 19de-eeuwse Madrid die zich bijzonder en uitdagend kleedden. Granados' Goyescas was vanaf de première in Salle Pleyel in Parijs uiterst succesvol. Pleyel vroeg Granados de Goyescas nog eens te herhalen en schonk hem uit dankbaarheid daarvoor de vleugel waarop Granados de twee uitvoeringen speelde.

 

Het tweede strijkkwartet van Arnold Schönberg

De ontmoeting tussen Arnold Schönberg (1874-1951) en Wassily Kandinsky (1866-1944) in januari 1911, na een uitvoering van Schönbergs tweede strijkkwartet, accentueerde de parallellen tussen het werk van de beide kunstenaars. Schönberg was bezig om het pad van de tonaliteit te verlaten en schilder Kandinsky ging abstract werken. Wassily Kandinsky schatte overigens de muziek hoger in dan de beeldende kunst, omdat de muziek de meest abstracte was. Volgens Kandinsky kan de beeldende kunst dan ook de principes van de muziek leren om, niet gebonden aan een (figuratief) onderwerp, kleuren, lijnen en vormen te 'componeren'. Kandinsky's 'Impression III (concert)' is na het bezoek aan dit concert met Schönbergs tweede strijkkwartet gemaakt.

 

Kandinsky schreef als antwoord op de kritiek op zijn theoretisch werk 'Uber das Geistige in der Kunst' overigens dat hij geenszins 'muziek schilderde'. Kandinsky, wiens muzikale ontwikkeling niet verder ging dan het amateurniveau, was wel gecharmeerd van het beeldend werk van Arnold Schönberg. Franz Marc en August Macke, twee andere leden van de kunstenaarsgroep de Blauwe Reiter (1911-1914), waren aanmerkelijk kritischer. Op de eerste Blaue Reiter tentoonstelling aan het einde van 1911 toonde Kandinsky een aantal van Schönbergs werken.

 

Het tweede strijkkwartet van Schönberg is geschreven met in de laatste twee delen de ongebruikelijke toevoeging van een zangstem. Werkelijkheid en interpretatie komen bij elkaar in de lezingen over de toevoeging van tekst en verlaten van het strakke concept van een strijkkwartet. Schönberg gebruikte teksten van de Duitse dichter Stefan George (1868-1933). Zijn gedicht Entrückung opende met de veelzeggende zin: “Ich fühle Luft von anderem Planeten”. In het laatste deel van het kwartet noteert Schönberg, zeer ongebruikelijk, geen voortekens meer (die een compositie in een toonsoort benoemen). Een voorbode voor de nieuwe tijd waarin de tonaliteit wordt losgelaten?

 

Entrückung

Ich fühle luft von anderem planeten.

Mir blassen durch das dunkel die gesichter

Die freundlich eben noch sich zu mir drehten.

 

Und bäum und wege die ich liebte fahlen

Dass ich sie kaum mehr kenne und du lichter

Geliebter schatten—rufer meiner qualen—

 

Bist nun erloschen ganz in tiefern gluten

Um nach dem taumel streitenden getobes

Mit einem frommen schauer anzumuten.

 

Ich löse mich in tönen, kreisend, webend,

Ungründigen danks und unbenamten lobes

Dem grossen atem wunschlos mich ergebend.

 

Mich überfährt ein ungestümes wehen

Im rausch der weihe wo inbrünstige schreie

In staub geworfner beterinnen flehen:

 

Dann seh ich wie sich duftige nebel lüpfen

In einer sonnerfüllten klaren freie

Die nur umfängt auf fernsten bergesschlüpfen.

 

Der boden schüttert weiss und weich wie molke.

Ich steige über schluchten ungeheuer,

Ich fühle wie ich über letzter wolke

 

In einem meer kristallnen glanzes schwimme—

Ich bin ein funke nur vom heiligen feuer

Ich bin ein dröhnen nur der heiligen stimme.

 

(Stefan George)

 

Modest Moessorgski's 'Schilderijen van een tentoonstelling' – in de volksmond 'De Schilderijententoonstelling' – ontstond in 1874 na de vroege dood van zijn vriend schilder Viktor Hartmann (1834-1873). De oorspronkelijke versie van ‘Schilderijen voor een tentoonstelling’ schreef Moessorgski voor piano, het stuk werd echter pas echt geliefd nadat Maurice Ravel het in 1922 orkestreerde. In de muzikale tentoonstelling wordt een aantal beelden verbonden door een wandeling, de Promenade. Moessorgski (1839-1881) gebruikte in zijn Schilderijententoonstelling niet alleen de 'echte' schilderijen die na de dood van Hartmann op een tentoonstelling te bewonderen waren, maar gebruikte ook diens ontwerptekeningen. Het beroemdste werk, 'De poort van Kiev', toont een bouwwerk dat in realiteit nooit heeft bestaan. Met de uitvoering van Moessorgski's schilderijententoonstelling presenteert de Leidse Salon een programmatisch werk in 19de-eeuwse stijl.

  

De Litouwse componist en symbolist Mikalojus Konstantinas Ciurlionis (1875-1911) startte zijn opleiding als musicus en toen hij zich in 1904 inschreef aan het Fine arts instituut in Warschau was hij al een succesvol componist. De muziek van Ciurlionis is geschreven in het laatromantische klankidioom. Als synesthesist probeerde hij muzikale principes in de beeldende kunst te incorporeren. Zijn beeldend werk draagt dan ook titels uit het muzikale vocabulaire als preludium, fuga en symfonie. Ciurlionis schilderde in zijn dromerige, imaginaire landschappen thema's, gerangschikt in muzikale structuren. Met het beschrijven van de verbindingen tussen de kunsten komen we opnieuw bij Baudelaire die anticiperend op het symbolisme het sonnet ‘Correspondances’ schreef:

 

Overeenkomsten
 

Natuur is 't heiligdom waar levende pilaren

Vaag praten in een taal die zich soms

    raden laat,

En waar de mens door wouden van

    symbolen gaat

Die, of hij hun vanouds vertrouwd is, naar

    hem staren.

 

Als lange echo's die van verre samenkwamen,

Versmolten tot één toon die diep en donker is,

Weids als het stralend licht en als de duisternis,

Zo hangen geuren, kleuren, klanken innig

    samen.

 

Wij kennen geuren als een kinderlijf zo fris,

Zo zacht als een hobo, groen als de groenste

    weide,

-En andere, rijk en dwingend, waar bederf in is,

 

Die zich, als alles wat geen einde neemt,

    verspreiden,

Muskus en amber, wierook, benzoë -

    die zingen

Van geestvervoering en vervoering van

    de zinnen.

 

(vertaling Peter Verstegen)

 

Bekijk alle concerten binnen dit thema

Deze website maakt gebruik van cookies om u een optimale gebruikerservaring te bieden.

Meer info